8.8.10

Suffe pot

 

Nou, daar waren we dan hoor, gisteravond, bij ons All Blacks-debuut. Ik ga niet meer uitleggen wie dat zijn. Ze speelden tegen Australië. Nieuw-Zeeland won: 20-10.
  Dat klinkt als een behoorlijk hoge score, maar het stelt geen moer voor. Laten we zeggen dat het in voetbaltermen ongeveer neerkomt op 2-1. En vrijwel die hele score, op één penalty na (goed voor drie punten), kwam tot stand in de eerste helft van de eerste helft. Ik zal niet zeggen dat we daarna uitsluitend slaapverwekkend rugby kregen voorgeschoteld, maar als we nog vijf vloeiende aanvallen hebben gezien, is het veel.
  Het schijnt ‘vechtrugby’ te zijn geweest, las ik net, en de hoopgevende constatering in de krant was: ‘Dat beheersen we dus ook.’ Vroeger zou ik gedacht hebben: misschien was het wel een fantastische wedstrijd, maar moet ik het rugby nog leren lezen. Nu denk ik: als het mij niet kan boeien, is het gewoon een suffe pot.
  Evengoed heb ik nog een lange weg te gaan, want van de krachtsverhoudingen in het internationale rugby snap ik nog niet veel. Ik probeer even op een rij te zetten wat ik hier tot nu toe heb geleerd.
  1. De beste nationale rugbyteams komen sinds jaar en dag van het zuidelijk halfrond. Als er eens een ploeg van het noordelijk halfrond wereldkampioen wordt (Engeland in 2003), dan is dat een speling van het lot.
  2. Nieuw-Zeeland speelt het mooiste rugby van de hele wereld, maar in de beslissende fase van een WK krijgt het last van knikkende knieën. Het WK wordt sinds 1987 gehouden, eens in de vier jaar. Nieuw-Zeeland won alleen dat eerste toernooi.
  3. Zuid-Afrika is sinds het laatste WK (2007) de te kloppen ploeg. Het leek er soms op alsof het rugby speelde van een andere planeet. Tweevoudig wereldkampioen Australië is sinds het WK van 2003, waar het nog tweede werd, ver weggezakt.
  4. Zuid-Afrikaanse ploegen zijn de afgelopen seizoenen – na de jarenlange dominantie van de Crusaders, onze plaatselijke trots – ook toonaangevend in de Super 14, de belangrijkste internationale clubcompetitie waaraan Zuid-Afrikaanse, Australische en Nieuw-Zeelandse ploegen meedoen.
  Goed. Dat is dus het beeld waarmee ik het afgelopen jaar geconfronteerd werd. Wat is daar nu moeilijk aan, zou je zeggen. Maar let op: begin dit jaar kwam er een andere interpretatie van een piepklein onderdeel van de spelregels, een verandering die in het voordeel is van technisch goed onderlegde, aanvallend ingestelde ploegen. Ik zal niet zeggen hoe dat precies zit, ik begrijp het zelf ternauwernood, maar kennelijk is het gevolg dat Nieuw-Zeeland ineens weer het allerbeste team van de hele wereld is: de All Blacks veegden de voorbije weken tweemaal de vloer aan met Zuid-Afrika en twee keer met Australië. Door de overwinning van gisteravond sleepten ze voor de voor de achtste keer achter elkaar de Bledisloe Cup in de wacht; in de strijd om de Tri Nations Cup gaan ze fier aan de leiding.

  Ik zou zeggen dat de internationale rugbybond, met het WK van volgend jaar in het vizier, het gastland Nieuw-Zeeland op deze manier een formidabele duw in de rug heeft gegeven. Maar Nieuw-Zeeland zou Nieuw-Zeeland niet zijn als vooral de schaduwzijde van de spelregelwijziging wordt belicht. De redenering gaat ongeveer zo: je zult zien dat ze in de aanloop naar het WK een jaar lang elke wedstrijd glansrijk winnen. Maar als straks puntje bij paaltje komt, hebben de topploegen zich intussen kunnen instellen op de Nieuw-Zeelandse strijdwijze en delven de All Blacks alsnog het onderspit. Zoals altijd, als het erop aankomt.

 

Advertenties